Flamenco: de eigenheid van de Spaanse muziek

In Spanje bestaan veel vormen en soorten van traditionele volksmuziek, maar de muzieksoort, die de eigenheid van de Spaanse muziek internationaal bepaald heeft, is de flamenco. Deze muzieksoort is ontstaan in het zuiden van het Spaanse Andalusië. Het is een temperamentvolle muziek, zeer expressief, en het kenmerkt zich vooral door rauwe zang, virtuoos gitaarspel, zeer ritmisch en energiek handgeklap en dans.

De flamenco is oorspronkelijk de volksmuziek van de gitanos (Spaanse zigeuners). Rond 1400 arriveerde dit nomadevolk in Andalusië en raakten daar in aanraking met de muziek van Joodse vluchtelingen en tot het christendom bekeerde moslims. Later zouden door slaven uit Afrika meegenomen ritmes in de flamenco doordringen. Dit gebeurde eerder ook al met veel andere Spaanse volksmuziek, dat in zijn totaal een weerspiegeling is van de smeltkroes, die Spanje historisch en cultureel is. Binnen dit complexe geheel van elkaar beïnvloedende culturen blijft er echter altijd sprake van een autochtone Spaanse cultuur.

De flamenco werd lange tijd oraal doorgegeven. Tot de Spaanse burgeroorlog (1936-1939) was een groot deel van de Spaanse bevolking analfabetisch. Vroeger moesten flamenco musici langs de dorpen gaan met hun muziek om te kunnen overleven, maar tegenwoordig krijgt ze dankzij de enorme kwaliteit, expressie en diepgang, die het heeft, alle universele waardering die het verdient. Er zijn intussen speciale universiteiten en conservatoria opgericht, vele boekwerken over geschreven; de muziek is in studio’s opgenomen en aan het publiek verkocht; er zijn voorstellingen en festivals, die duizenden mensen trekken. Beroemd is vooral het Flamenco Festival in Granada dat op initiatief van de Spaanse componist Manuel de Falla en de dichter Federico García Lorca voor het eerst gehouden werd in 1922.

Er bestaan veel speciale termen binnen de wereld van de flamenco, waarvan we er slechts enkele zullen noemen. Als een cantaor, bailaor (danser) of gitarist duende heeft, dan bedoelt men het gevoel dat zorgt voor een bepaalde magie in de interactie met het publiek. Een copla is een bepaalde soort dichterlijke compositie, die dient als tekst voor de flamenco zang. Jaleo is het omringend geluid van andere musici en publiek, dat de cantaor begeleid (handgeklap, voetgestamp, olé’s en andere uitroepen, en commentaren, etc). Een palo is één van de flamencostijlen (daar bestaan bijna vijftig van). Je hebt de zg. cante grande, cante largo, cante corto, cante chico, cante jondo… (verschillende zangstijlen binnen de flamenco). Caló is de taal van de Spaanse zigeuners, afkomstig uit het Romani. Met een voz gitana wordt een rauwe en hese stem bedoeld, met rajo, een diepe emotie. Dit wordt ook genoemd voz afillá, naar een cantaor uit de geschiedenis van de flamenco, El Fillo, die zo’n stem had, beschouwd als de meest geschikte voor de cante jondo (zang met een emotionele diepgang).

Beroemde cantaores zijn o.a. Carmen Amaya, Enrique Morente, Camarón de la Isla >> en tegenwoordig Estrella Molrente, José Mercé, José Meneses en Arcángel. Belangrijke gitaristen zijn José Fernández Torres, Paco de Lucia en Tomatito. Sara Baros is een alom zeer gewaardeerde bailaora. Joaquín Cortés is een internationaal beroemde flamencodanser, die in 1992 het Joaquín Cortés Flamenco Ballet oprichtte.

BRON Spanjemuziekblogspot